|
|
Gedichten van Jan Boerkoel, 1945-2010 |
|
Doden hebben bomen nodig om te
kunnen blijven liggen. Als je stil ligt kun je
hun geruis beluisteren dat vertelt van
weggaan en ook waarheen om niet te zijn.
Bomen laten zien hoe je zwierig kleuren
los kunt laten. Zonder misbaar, zonder
hoop, zonder verlies van hoop. Laten zien
hoe je van franje te ontdoen en alleen
te wachten en niet te weten.
Ze wortelen diep en wijzen omhoog. Zou
dat reiken zijn of richting wijzen? Een
goede route naar een verre heuvel, of
naar iets gewoons als weer een
weg naar nergens.
----------------------------------------------------
Als een klein scherp mes
zal ik van je houden.
Je omzichtig openen
op de juiste plaatsen
alle vogels uit je vrijlaten
ze over het brede water
laten wegvliegen.
Ik zal een gebaar maken
waar je niet van schrikt.
Zo kunnen we ons
laten insneeuwen.
----------------------------------------------------
Ik heb het allemaal gezien
de nerven in het hout van een viool
de handen van de organiste boven
de toetsen. Haar frêle gezicht uiterst
geconcentreerd bij het spelen
van het orgelconcert in G klein
van Poulenc. Ik hoor de pauken
in dat stuk en wil ze nog eens horen.
Ook die wonderlijke jubel ergens halverwege.
Dat alles en meer, veel meer heb ik gezien
en gehoord en geproefd. En ik begin niet
eens over kinderen en het geschater van vrouwen
het geluid van water. Ik begin er niet aan. Het einde
is zoek. Maar het vind me en ik zal ook dat omhelzen.